Dinxperlo 1931: een vroeg anti-Joods grensincident

Leopold Jacobi ‘Als een beest over de grens gesleept’!

In Dinxperlo, in de Achterhoek, sta je aan de ene kant van de straat in Nederland, op de stoep aan de overkant begint Duitsland. Daar, in Suderwick, spreken ze hetzelfde dialect. Menselijk en economisch grensverkeer is hier heel gewoon, al jaren. Toch is het rond oorlogs- en crisistijd altijd spannend aan de grens, ook in het lieflijke Dinxperlo in de roerige jaren ‘30. Al in maart 1931 is daar een opmerkelijk grensincident, en nog wel met ‘n anti-semitisch tintje. Duitse rechercheurs sleuren een joodse winkelier over de grens. Hoewel snel diplomatiek gladgestreken, is het toch al een zeer vroege voorbode voor de grensfricties en het vluchtelingenleed veroorzaakt door de nazi-revolutie bij de Oosterburen. Vluchtelingen trekken de Nederlandse grens over, ook in de Achterhoek, in Dinxperlo. Ze kloppen op de deur van burgemeester Verbeek. Die biedt hulp en krijgt grote problemen met Den Haag.

‘Dat gaat zomaar niet, heeren…’

Dinxperlo, maart 1931; Duitse klanten komen graag voor koffie, thee, kaas, tabak en vlees naar de talloze grenswinkeltjes, want de Duitse economie hapert nog na de grote oorlog en crisis. Vlak over de grens is veel te krijgen tegen een goede prijs. Maar nu vertellen die grensgangers in de levensmiddelenwinkel van Leopold Jacobi aan de Kwikkelstraat dat ze bij de slagboom het dringende advies meekregen niet meer te kopen bij Joden, zoals Jacobi. Dat is vreemd en daarom gaat Jacobi’s vrouw, Julia Fuldauer, op vrijdag 20 maart maar eens verhaal halen bij het Duitse douane. Men vraagt of haar man de volgende dag wil langskomen voor nadere uitleg. Zo gaan de Jacobi’s op zaterdagmiddag rond zes uur over de Heelweg, die de grens vormt, naar het Duitse douanekantoor achter de slagboom. Zij blijft buiten even kletsen met mevrouw Ten Holte, terwijl Leopold naar binnen gaat. Even later roept men haar en ze krijgt te horen dat haar man is gearresteerd. Tussen twee rechercheurs wordt hij naar een auto gebracht. Dan rukt de 40-jarige Leopold zich los en rent de grens over. Zo’n tien meter op Nederlandse bodem wordt hij gevloerd door zijn achtervolgers, tegen de heg van Kraayenbrink. Mevrouw Jacobi gooit zich er tussen en roept: ‘Dat gaat zomaar niet, heeren…’. Zij wordt achterover in de modder geduwd, aldus het proces-verbaal van de Rijksveldwachter, dat vervolgt: ‘Als een beest werd Jacobi aan een arm en een been weer over den weg naar Duitsch grondgebied gesleept.’ Vier getuigen bevestigen dat het incident toch zeker zeven á acht meter op Nederlandse bodem plaatsvond. Zollinspektor Auer voert Jacobi af naar de cel in Bocholt.

               Burgemeester mr. Hendrik Jan Verbeek gaat meteen naar Bocholt en zoekt Auer zelfs thuis op. Het blijkt dat Jacobi wordt verdacht van sigarettensmokkel via de post. Het gaat om forse bedragen: 90 duizend RM aan invoerrechten zijn ontdoken. Dat moet worden uitgezocht. Jacobi ontkent en denkt dat smokkelaars zijn naam en adres hebben misbruikt. Enkele dagen later hoort de burgemeester van Auer dat Jacobi spoedig vrijkomt. Auer biedt dan al excuses aan, al beweert hij wel dat Jacobi hem mee de grens over had gesleurd. Zelfs Auers baas betuigt daarna bij de burgemeester thuis nog eens zijn ‘oprechte leedwezen’.  Op 27 maart wordt Jacobi vrijgelaten. In Den Haag haast de Duitse gezant zich om minister van Buitenlandse Zaken, Beelaerts van Blokland ‘das Bedauern der Reichsregierung wegen des Zwischenfalls’ over te brengen.

               Het incident haalt de lokale en landelijke pers. Nederlandse en Duitse grenspolitie en douane bestrijden al jaren samen de smokkelarij, maar het is toch wel vreemd dat Duitse agenten zonder overleg op Nederlandse bodem onze landgenoten ontvoeren. Al op 24 maart vraagt ARP-Kamerlid Egbert Beumer aan de minister of Jacobi in Nederland ‘door Duitsche politiebeambten is aangehouden en met geweld naar Duitschland is medegenomen?’ Welke stappen richting Duitse regering worden genomen? De minister antwoordt dat door het ‘onmiddellijke krachtdadige‘ optreden van de burgemeester vrijlating is bereikt.

 

Stijve middelvinger en 'een geschonden costuum’

Zand erover? Nee hoor, Jacobi laat het er niet bij zitten. Behalve een flink beschadigd kostuum houdt hij een stijve middelvinger aan de worsteling over, een blijvende kwetsuur volgens dorpsdokter Jenny. ‘Geen kwaad vermoedendt, was hem deze arrestatie een marteling’, schrijft Jacobi in augustus aan de minister. Nederig verzoekt hij de minister om een Duitse vergoeding van 200 gulden te bewerkstelligen voor de schade en inkomstenderving door die week cel. Bijna een jaar later heeft hij nog niets gehoord uit Den Haag en stuurt een herinnering. Jacobi’s verzoek blijft echter in de ambtelijke molen hangen. Uiteindelijk krijgt de geïrriteerde minister in maart 1933 een duidelijk advies van de Nederlandse gezant in Berlijn: de Duitse excuses zijn destijds geaccepteerd zonder enige reserve voor eventuele schadevergoeding. Daarmee is het incident in feite gesloten en ‘komt het mij bezwaarlijk voor twee jaren na dato met een verzoek tot schadevergoeding bij de Duitsche Regeering te komen.’ De minister schrijft Jacobi dat ‘tot zijn leedwezen (…) geen stappen kunnen worden genomen.’

 

Dinxperlo helpt de Joodse vluchtelingen

Jacobi’s winkel ligt pal naast de synagoge. Dinxperlo telt in 1930 41 Joden op zo’n 3500 inwoners. Zij zijn fabrikant, winkelier, slager, veehandelaar en doen volop mee in het dorpsleven. Isaac Menist leidt de kille al vanaf 1886. Naast rabbijn is hij boekhouder op de boterfabriek en correspondent van regionale kranten. Er is veel contact met de even kleine joodse gemeentes in de buurt, ook over de grens rond Bocholt. Er zijn sterke zaken- en familierelaties. Menist schrijft in 1935 aan de Arnhemse opperrabbijn: ‘De sporen van Jodenhaat worden ons telkens duidelijk door de geloofsgenoten uit de naburige grensplaatsen.’ Naarmate de pesterijen en vervolging in Duitsland na 1933 toenemen, zoeken meer Joden uit de Duitse grensregio opvang bij familie en kennissen net over de grens. Tussen 1933 en 1941 worden meer dan honderd Joden geregistreerd in Dinxperlo; in 1937 wonen er officieel 59, in 1941 85 Joden volgens de gemeentelijke gegevens.

               Vooral de populaire burgemeester Verbeek trekt zich hun lot aan. Deze Dinxperlose onderwijzerszoon is sinds 1924 burgemeester. Hij neemt direct na de Kristallnacht, november 1938, het initiatief voor een plaatselijk hulpcomité voor vervolgden ‘wegens ras of geloof’. Onderwijzers, pastoor en dominees, ondernemers en notabelen bieden hulp en onderdak aan de vluchtelingen. Verbeek gaat nog verder: hij verstrekt tientallen identiteitsbewijzen en voorlopige verblijfsvergunningen. De burgemeester geeft die zelfs af voor mensen die nog in Duitsland vastzitten en die naar Nederland willen, vaak via illegale weg. Hij werkt samen met Duitse vluchtelingenhelpers. Verbeek ziet dat als zijn plicht en acht zich ook bevoegd. Daarmee gaat hij echter zijn boekje te buiten. Want hoewel de richtlijnen uit Den Haag niet altijd eenduidig zijn, beslissen Justitie en Marechaussee over toelating. De regering wil illegale vluchtelingen juist weren en alleen mensen in levensgevaar toelaten. Het komt zelfs tot een rechtszaak tegen Verbeek na – anonieme - beschuldigingen dat hij zich laat betalen voor zijn diensten. Het speciale gemeentestempel dat hij liet maken, ligt thuis en hij heeft 1 gulden 60 (!) aan legesgeld niet afgedragen. De nationaalsocialistische pers – de NSB heeft veel aanhang in de regio – stookt het vuurtje flink op. Dinxperlo wordt smalend aangeduid als het Jeruzalem aan de grens met een burgemeester die zijn vingers krom schrijft aan verblijfvergunningen voor Joden.

               Tegen de kantonrechter in Arnhem vertelt Verbeek op 30 juni 1939 dat hij altijd klaar staat voor mensen in nood, ook thuis. Nooit heeft zich daaraan verrijkt. Hij erkent misschien wel voorschriften te hebben overtreden, maar nooit de wet. Ook de officier van justitie gelooft in de ‘goedheid des harten’ van Verbeek, maar vindt dat hij slordig en buiten zijn bevoegdheden handelde. De eis luidt een boete van 300 gulden, maar het proces eindigt in oktober met vrijspraak voor het aannemen van giften. Dat wordt maart 1940 in hoger beroep nog eens bevestigd. Verbeek had overigens al in december 1938 verzocht om eervol ontslag om zijn ambt niet te bezoedelen. De Gelderse commissaris der koningin stuurt Verbeek eerst op ziekteverlof, schorst hem daarna en in april 1939 volgt een kil ontslag. De flink aangeslagen Verbeek pakt moeizaam zijn oude advocatuur weer op en overlijdt in januari 1946 op 70-jarige leeftijd.

               Wat doe je als iemand in nood op de deur klopt? Burgemeester Verbeek doet open. Hij gebruikt zijn ambt om te helpen waar hij kan en komt daarmee in conflict met zijn meerderen. Zeker vijftig Duitse Joden en hun gezinnen krijgen door zijn betrokkenheid in Dinxperlo na 1933 voorlopig een veilige haven. Pas op 6 april 1990 komt er eerherstel: bij Koninklijk Besluit krijgt het ontslag postuum het predicaat ‘eervol’. In Dinxperlo wordt de Mr. Verbeekstraat gewijzigd in Burgemeester Mr. Verbeekstraat.

Namen in steen dichtbij de grens

Duitse vluchtelingen waren voorlopig veilig in Dinxperlo! In april 1943 moeten alle in Gelderland overgebleven Joden zich melden in kamp Vught. Vrijwel niemand keert terug. Leopold Jacobi en zijn vrouw Julia Fuldauer worden op 28 mei 1943 vermoord in Sobibor. Dochter Sophie, of Fia, komt in Vught in het Philips-commando terecht en overleeft na een tocht langs vele kampen de holocaust, overigens samen met Ruth Spiegel die in 1933 met haar familie vanuit Dinslaken naar Dinxperlo was gevlucht. In Dinxperlo staat tegenover de plek van de bij de bevrijding verwoeste synagoge een monument voor de 43 joodse slachtoffers uit Dinxperlo. Vijfhonderd meter verderop aan de Heelweg, in Suderwick, herinnert een stalen constructie met historische grensfoto’s aan de plek van het grensincident met Leopold Jacobi in maart 1931.

 

Jan Brauer

 



Datum / tijdsbestek
0.3.1931 – 0.0.1945