Grensperikelen in Rekken

Wonen direct aan de grens

Helemaal aan het eind van de Huttendijk in Rekken wonen Herman en Trui Karnebeek. De Rekkenaren zullen hen veel beter kennen als Herman en Trui van de Hutte. De geschiedenis van dit huis en zijn bewoners is nauw verbonden met de rijksgrens die pal langs de boerderij loopt. Het is dan ook geen wonder, dat de welbespraakte Herman en Trui Karnebeek veel weten te vertellen over het wel en wee van het leven aan de grens.

Als "Huttenplaatse" wordt de boerderij van de familie Karnebeek in 19e eeuwse papieren genoemd. De boerderij is in het begin van de 19e eeuw gebouwd en was eigendom van de marke van Rekken. De naam "hutte“ duidt nog op die tijd. Als iemand zich op de markegrond wilde vestigen moest hij heel snel een huis bouwen. Vöör het aanbreken van de dageraad moest er rook uit de schoorsteen komen, anders ging de pret niet door. Zo'n huis kon dus niet veel aanzien hebben, vandaar de benaming "hut".

In later tijden, toen de boerderij eenmaal eigendom van de familie was, werd er een stevig boerderijtje getimmerd. Er werd ook een "schöppe" bij gebouwd, maar deze kwam op Duits grondgebied te staan. Herman Karnebeek benutte deze "schöppe" om er varkens in te houden, want die brachten in Duitsland veel meer op dan in Nederland. Hierdoor hoefde hij niet bang te zijn voor allerlei moeilijke uitvoerregels.

Herman kon door de bijzondere situering van de bedrijfsgebouwen zijn handel inrichten al naar gelang het hem uitkwam. Diezelfde schuur gebruikte hij ook om er de in Duitsland gekochte kunstmest in op te slaan. Kunstmest was daar namelijk goedkoper. Zonder problemen kon hij die op zijn in Rekken gelegen grond strooien, want eenmaal uit de zak kon niemand meer bewijzen waar die kunstmest vandaan kwam.

De situering van het bedrijf en de daaruit voortvloeiende mogelijkheden voor 'internationale handel' hebben Herman Karnebeek geen windeieren gelegd, getuige zijn uitspraak: Zo'n zuuver geweten mo'j der neet op nao holln, anders kom ie nargens". De "schöppe" is al lang weg, maar de Karnebeeks moeten nog steeds over de grens als bijvoorbeeld Trui de was buiten will hangen.

Maar niet alles was in Duitsland voordeliger. Herman herinnert zich, dat de Hollandse tabak veel goedkoper was. Ook dat bracht voor de grensbewoner enige voordelen met zich mee. Herman legde thuis een kleine voorraad aan van die Hollandse tabak die werd verkocht aan Duitsers. Een steevaste klant van hem was Boskers Hein, die bij de familie Karnebeek zijn tabaksdoos kwam volstoppen. Boskers Hein was een nogal zeurderige man, aldus Herman, en erg 'politiek' bezig. Dat laatste ontlokt Herman de uitspraak: "Wee-t-er 't meeste aover pröt, hef ter 't minste vestand van".

De grens is tegenwoordig niet meer van zoveel betekenis als vroeger. Op de fiets of wandelend kan iedereen bij Karnebeek de grens over. De grens wordt er gemarkeerd door een slagboom en een aantal grenspaien. De paal op de hoek van de boerderij draagt het nummer 822 A en werd in 1766 geplaatst.

Tot lang na de Tweede Wereldoorlog echter, waren contacten met de Duitse buurman moeilijk. In 1954 moest Herman nog via de grensovergang bij Oldenkotte naar zijn Duitse buurman om daar een begrafenis bij te wonen. In de jaren na de oorlog waren het vooral de Nederlanders die de grens gesloten hielden. Hij kreeg van de kommiezen geen toestemming om de grens naast het huis te passeren.

Uit die jaren dateert ook het volgende verhaaltje: Na de oorlog had je een tijdje Engelse kommiezen (het Münsterland was een onderdeel van de Engelse bezettingszone). Op een gegeven moment kwam er ook zo eentje bij Herman Karnebeek en vroeg hem, hoe het toch kwam dat zijn hond zo geel was? Herman antwoordde, dat dat kwam omdat hij zojuist de rogge gespuit had.

De jaren tussen de beide wereldoorlogen boden wat het grensverkeer betreft een heel geschakeerd beeld. Het jaar 1930 was een hoogtepunt. Toen waren de grensformaliteiten het meest liberaal. Volgens Herman Karnebeek is het peil van toen thans nog niet weer opnieuw bereikt.

In 1933 veranderde dat allemaal toen Hitler aan de macht kwam. Eerst werd aan Duitse zijde het aantal douaniers fors uitgebreid (in Oldenkotte van 4 naar circa 25), Iater kwam er een afrastering. Ook werd de Duitse wetgeving aangescherpt, zo ook voor de import van vee. En zo kon het op een kwade dag gebeuren, dat een paar kippen van de familie Karnebeek een uitstapje durfden te maken naar de andere kant van de grens. Zij werden echter betrapt door een Duitse kommies, wat overigens geen wonder hoefde te heten omdat er elk half uur wie een kommies voorbij kwam. Herman Karnebeek moest toen in Vreden op het politiebureau verschijnen. Daar toonde men wel begrip voor de situatie, maar de kommiezen gingen niet akkoord. Het uitstapje van de kippen eindigde met een boete van 30 marken voor Herman Karnebeek. Maar die kippen bezorgden hem ook van Nederlandse zijde problemen. Op een gegeven moment kreeg Herman 'bezoek' van de controleurs. Deze bemerkten, dat Herman meer kippen hield dan was opgegeven. Wijzend op een aantal kippen die op zijn erf rondliepen, vroegen ze Herman, of die kippen ook van hem waren? Herman antwoordde: "Nae, an den groten bek kö'j toch wal zeen dat 't Pruussen bunt".

De Eerste Wereldoorlog moet een waar paradijs geweest zijn voor smokkelaars. Als kind heeft Herman met grote belangstelling geluisterd naar de smokkelverhalen. Maar "geleuven ko'j dat neet allemaole" en "de hoge heern smokkeln 't meest". Herman Karnebeek zocht het meer in de kleine zaken en kon profiteren van de bijzondere Iigging van zijn bedrijfsgebouwen, zonder dat een of andere kommies daar wat aan kon doen.

Als je zo dicht bij de grens woont zijn grote veranderingen aan gene zijde snel merkbaar. Heel levendig herinnert zich Herman de avond van de 9e mei 1940. 's Avonds om 23.00 uur hoorde hij heel hoog een vliegtuig brommen. Voor Herman stond op dat moment vast, dat dat vliegtuig het begin van de Duitse aanval op Nederland markeerde.

De gevolgen van de Tweede Wereldoorlog betekenden een tijdelijke verslechtering van de relaties met de Duitse buren. Na de oorlog werden de gronden van Duitse boeren in Nederland onteigend. Ook Herman Karnebeek kreeg daarin een aandeel, maar in 1956 verkocht hij die grond weer aan de voormalige Duitse eigenaar om de relaties met de Duitse buren niet verder te verslechten. Maar de meeste boeren hebben de voormalige Duitse gronden gehouden.

Daaruit blijkt maar weer eens, hoe zeer Herman en Trui Karnebeek goede relaties met hun Duitse buren op prijs stellen.

 

Rekken, januari 1987 / G. te Nijenhuis; B. te Vaarwerk.

Bron: old ni-ji 1987, no5. Kroniek van Eibergen, Beltrum, Rekken en Zwolle

Foto: De foto is vanaf Duits grondgebiet genomen (Coll. Schlusemann).

 



Datum / tijdsbestek
0.0.1800 – 0.0.1956